ITAA-verkiezingen: we bieden elke kandidaat de ruimte om zich voor te stellen via een uniforme format. Een gelijk speelveld voor elke stem.
Ik ben Patrick Deleu, fiscaal accountant en kandidaat voor het mandaat als ondervoorzitter bij het ITAA. Ik werk dertig jaar in het beroep en toon al meer dan vijfentwintig jaar engagement voor onze sector: eerst in de beroepsvereniging, later binnen het Instituut — als raadslid, in de examencommissie, in werkgroepen rond digitalisering en vandaag ook als lid van het uitvoerend comité. Die ervaring in de praktijk én in het beleid heeft me ook geleid naar het doceren: voornamelijk btw, maar ook deontologie en antiwitwas. En omdat ik het belangrijk vind dat nieuwe generaties sterk starten, heb ik zo’n twintig jaar geleden binnen mijn beroepsvereniging het voortouw genomen om stagiairs via specifieke opleidingen voor te bereiden op het praktisch bekwaamheidsexamen. Engagement, kennisdeling en verantwoordelijkheid: dat is wat mij al die jaren drijft.
Wat is je belangrijkste verwezenlijking van de afgelopen periode waar je trots op bent?
Een van de verwezenlijkingen waar ik het meest trots op ben, is mijn bijdrage aan een meer werkbare invoering van de nieuwe btw-ketting. In het overleg met de administratie heb ik mee gestuurd op een structurele aanpak waarbij geen boete wordt opgelegd voor de eerste laattijdige indiening van de periodieke btw-aangifte, en waarbij laattijdige betaling van de verschuldigde btw in beginsel niet wordt beboet. Daarnaast werd dit jaar ook expliciet beslist om de laattijdige indiening van de zomeraangiften niet te sanctioneren. Dat zijn misschien geen spectaculaire maatregelen, maar ze maken in de dagelijkse praktijk een wezenlijk verschil voor kantoren en ondernemers. Daarnaast ben ik nauw betrokken bij de ontwikkeling en uitrol van het ITAA-mandatenbeheersysteem.
Wat gestart is als een noodzakelijke administratieve tool, groeit uit tot een volwaardig en breed gebruikt instrument dat steeds meer tractie krijgt in de kantoren. Intussen kunnen mandaten ook rechtstreeks vanuit de kantoorsoftware worden beheerd via API integratie met het ITAA-systeem. Tegen het einde van dit jaar volgt met IZIMIPro, een digitale kluis voor ondernemers ontwikkeld in samenwerking met het notariaat, een volgende belangrijke stap, waarbij ik eveneens intens betrokken ben. Tot slot ben ik ook trots op de evolutie binnen het financieel departement van het ITAA. Door het verfijnen van interne processen werd ingezet op meer reactiviteit en een lagere werklast, zowel intern als voor de leden. Een concreet sluitstuk daarvan is de introductie van online betalingen en de onmiddellijke uitreiking van facturen. Wat vorig jaar werd gepiloteerd op het congres, wordt nu structureel uitgerold als onderdeel van het onboardingproces en zal de komende maanden ook worden toegepast voor opleidingen en inschrijvings en aanvaardingsrechten. Wat deze verwezenlijkingen met elkaar verbindt, is dat ze vertrekken vanuit éénzelfde uitgangspunt: beleid en digitalisering moeten de praktijk ondersteunen, niet verzwaren
Noem drie concrete actiepunten die je binnen de eerste 100 dagen na je verkiezing wilt opstarten.
In de eerste 100 dagen realiseer je geen wonderen, maar je kan wél de fundamenten leggen voor de juiste keuzes. Voor mij zijn er drie dingen die onmiddellijk moeten worden opgestart.
- Eerst wil ik een grondige verkenning opstarten van de accountant en belastingadviseur van de toekomst. Digitalisering en AI hebben vandaag al een duidelijke impact, maar we moeten eerlijk zijn: sommige evoluties kunnen ook disruptief worden. We moeten begrijpen wat verandert, hoe snel, en wat dit betekent voor kwaliteit, deontologie, werkdruk en de rol van de beroepsbeoefenaar. Zonder die analyse nemen we beslissingen in het donker, en kan er geen verstandig en toekomstgericht beleid worden gevoerd.
- Parallel daaraan wil ik een ‘Know Your Member’ ‑ traject opstarten. We moeten beter in kaart brengen wie onze leden zijn, wat hen verbindt, wat hen onderscheidt en hoe we hen elk op een passende manier kunnen ondersteunen. Dat gaat niet alleen over kleine, middelgrote en grote kantoren of multidisciplinaire groepen, maar ook over onze interne leden, en in het bijzonder de Members in Business. Hun context, verantwoordelijkheden en verwachtingen verschillen van die van praktijkkantoren, en toch hebben ook zij recht op een duidelijke plaats en passende ondersteuning binnen het Instituut. Als ITAA moeten we die verscheidenheid expliciet erkennen en meenemen, zodat élk lid het volle gevoel krijgt dat het Instituut ook hun professionele thuis is, ongeacht de rol of context waarin men actief is.
- Ten derde wil ik het dossier rond ongeoorloofde beroepsuitoefening heroriënteren. We moeten blijven optreden, maar strategischer: niet langer elk klein individueel dossier achternazitten, maar focussen op enkele grote symbooldossiers — consultants en outsourcers die structureel dezelfde diensten aanbieden zonder onderworpen te zijn aan dezelfde wettelijke, deontologische en tuchtrechtelijke verplichtingen. Dat creëert een onevenwichtig speelveld voor erkende accountants en belastingadviseurs. Tegelijk is voorzichtigheid geboden: een te harde of verkeerd gerichte aanpak kan het wettelijk kader en het monopolie op boekhoudactiviteiten onder druk zetten. Het vraagt dus doordachte keuzes en juridische precisie, geen stoere verklaringen.
Waarop moet het instituut volgens jou méér inzetten, en wat mag eventueel een versnelling lager?
Volgens mij moet het Instituut de komende jaren vooral meer inzetten op communicatie. Niet noodzakelijk méér communicatie, maar betere, duidelijkere en minder technische communicatie. Leden moeten beter begrijpen what het ITAA doet, waarom bepaalde keuzes worden gemaakt en hoe hun lidgeld concreet wordt ingezet. Waar die transparantie toeneemt, verkleint de afstand automatisch en groeit de betrokkenheid. Dichter bij de leden staan vraagt ook om een gestructureerde dialoog met de verschillende geledingen binnen het beroep. De beroepsverenigingen blijven daarbij essentieel, onder meer omdat zij sterk de stem van eenmans ‑ en kleinere kantoren laten horen. Tegelijk is het belangrijk dat er ook structureel overleg is met mid ‑ tier en grotere kantoren, die met andere uitdagingen en schaalvraagstukken worden geconfronteerd. Alleen door die diversiteit volwaardig mee te nemen, kan het Instituut tot breed gedragen beslissingen komen.
Wat de vraag betreft waar het ITAA eventueel een versnelling lager kan schakelen, wil ik duidelijk zijn: op een aantal kerntaken is dat geen optie. De organisatie van de toegang tot het beroep, de kwaliteitsbewaking en het aantrekkelijk houden van ons beroep en statuut zijn wettelijke of essentiële opdrachten. Als we terecht pleiten voor meer instroom en een aantrekkelijker beroep, dan kunnen we het ons niet veroorloven om op die vlakken te vertragen. Waar ik wél ruimte zie voor verbetering, is in de manier waarop veranderingen worden begeleid. Dat gaat niet alleen over nieuwe normen, maar ruimer over opleiding en ondersteuning in domeinen die eigen zijn aan onze rol, zoals rapportering inzake duurzaamheid, de continuïteit van ondernemingen, antiwitwasverplichtingen en andere maatschappelijke opdrachten. Ook daar moet de nadruk liggen op begrijpbare communicatie, tijdige toelichting en praktische begeleiding. Tot slot is het belangrijk het juiste evenwicht te bewaren in de rol van het Instituut. Het ITAA moet de belangen van het beroep actief verdedigen, maar is geen syndicale organisatie en kan zich dus niet alles veroorloven. Dat betekent: stevig en onderbouwd optreden waar nodig, met respect voor het wettelijk kader en het algemeen belang. Samengevat: niet minder ambitie, maar bewuster werken aan nabijheid, duidelijkheid en draagvlak. Zo versterken we zowel het vertrouwen van de leden als de effectiviteit van het Instituut.
Wat is jouw ‘out-of-the-box’ oplossing om het beroep werkbaar te maken?
Mijn out ‑ of ‑ the ‑ box ‑ oplossing klinkt eigenlijk heel eenvoudig, maar bestaat vandaag nog niet: een werkbaarheidsfilter voor alles wat aan onze sector wordt beslist, opgelegd of gecommuniceerd. Concreet betekent dat drie dingen:
- Ten eerste moet elke nieuwe verplichting — van overheid of Instituut — vooraf getoetst worden aan de praktijk. Niet alleen bij grote, middelgrote, kleine en éénmanskantoren, maar ook bij Members in Business en andere interne profielen. Geen enkele regel mag worden ingevoerd zonder dat vooraf duidelijk is wat de impact is in tijd, middelen en risico’s, ongeacht of die regel van de wetgever, de administratie of het Instituut komt.
- Ten tweede moeten digitalisering en AI verplicht deel uitmaken van die toetsing. Technologie mag geen nieuwe administratieve ballast creëren. Automatisering en AI moeten aantoonbaar bijdragen aan meer efficiëntie en werkbaarheid. We moeten dus expliciet nagaan of digitalisering een last wegneemt, dan wel een nieuwe last toevoegt — niet alleen op beleidsniveau, maar ook op het niveau van het kantoor zelf.
- Ten derde moet ook communicatie door diezelfde filter. Veel werkdruk ontstaat niet door de regels op zich, maar door laattijdige, onduidelijke of te technische communicatie. Informatie moet minder juridisch en minder technisch worden gebracht: eenvoudiger, behapbaarder en leesbaarder, uiteraard zonder in te boeten aan juridische correctheid. Met een werkbaarheidsfilter kunnen boodschappen pas naar de leden wanneer ze juist, volledig en praktisch bruikbaar zijn. Dat is voor mij de kern van het out ‑ of ‑ the ‑ box ‑ denken: geen nieuwe verplichting, geen nieuwe ICT ‑ toepassing en geen nieuwe communicatie zonder een realistische werkbaarheidstoets vooraf. Dat voorkomt uiteindelijk veel meer administratieve druk dan we achteraf ooit kunnen corrigeren.
Hoe gaat het ITAA onder jouw vleugels de leden concreet helpen om de AI-revolutie te overleven (en te benutten)?
De AI ‑ revolutie laat zich niet tegenhouden. De kernvraag is dus niet of, maar hoe we deze evolutie als beroepsgroep doormaken. Voor mij ligt de rol van het ITAA daarbij niet in het promoten van technologie, maar in het bieden van duidelijke kaders, aangepaste opleiding en werkbare ondersteuning, met oog voor de grote diversiteit binnen onze ledenbasis. In de eerste plaats moet het Instituut richting geven. AI kan processen ondersteunen en versnellen, maar de professionele verantwoordelijkheid, het oordeel en de aansprakelijkheid van de accountant of belastingadviseur blijven onverkort gelden. Het ITAA moet daar duidelijke bakens zetten, zodat leden weten wat kan, wat niet, en waar de risico’s liggen.
Daarnaast is opleiding cruciaal, maar niet uniform. Grote en mid‑tierkantoren beschikken vaak over de middelen en expertise om intern met AI aan de slag te gaan. Kleinere kantoren en eenmanspraktijken hebben die slagkracht doorgaans niet. En ook Members in Business hebben andere noden dan kantoorhoudende accountants. Het ITAA moet daarom inzetten op gedifferentieerde opleiding en ondersteuning, afgestemd op de concrete context waarin leden professioneel actief zijn. In dat kader zie ik ook een belangrijke rol voor BeExcellent: als platform waar kennis, richtlijnen en praktische handvatten gestructureerd en toegankelijk worden samengebracht. Zo kan het ITAA leden ondersteunen bij de implementatie van AI en digitale processen, zonder bijkomende administratieve last te creëren. Tot slot blijft werkbaarheid het toetsingscriterium. AI en digitalisering mogen geen extra verplichtingen of onzekerheden veroorzaken, maar moeten aantoonbaar bijdragen aan efficiëntie en kwaliteit, vooraf getoetst aan de realiteit van verschillende types leden. Samengevat: het ITAA moet leden niet leren overleven in een AI ‑ wereld, maar hen helpen om zeker, verantwoord en met vertrouwen te werken, dankzij duidelijke kaders, gerichte opleiding en praktische ondersteuning.
Hoe ga jij de brug slaan tussen de verschillende beroepsverenigingen en de overheid?
Voor mij begint een goede relatie met de overheid bij een heldere rolverdeling en onderlinge afstemming binnen de beroepsgroep. Het ITAA is terecht het eerste en formele aanspreekpunt van de overheid. Het heeft de wettelijke legitimiteit om namens het beroep het overleg te voeren, standpunten toe te lichten en beleidsmatig mee te denken. Tegelijk kan en mag het Instituut geen syndicale rol opnemen. Daar ligt net een belangrijke complementaire rol voor de beroepsverenigingen. Zij staan zeer dicht bij het werkveld, vangen signalen snel op en kunnen, wanneer nodig, ook krachtiger instrumenten inzetten die voor syndicale organisaties aanvaard zijn. Dat is geen tegenstelling, maar een meerwaarde, op voorwaarde dat die rollen goed op elkaar zijn afgestemd. De brug slaan betekent voor mij dus vooral zorgen voor coherentie. De kernboodschap die we als beroepsgroep aan de overheid willen brengen — of dat nu via overleg, advies of meer krachtdadige acties gebeurt — moet dezelfde zijn. De communicatie van het ITAA en die van de beroepsverenigingen moeten elkaar versterken, niet tegenwerken of verwarren. Dat vraagt om structureel overleg en vertrouwen tussen het Instituut en de beroepsverenigingen, zowel Nederlandstalig als Franstalig. Als voorzitter van een beroepsvereniging heb ik geleerd hoe belangrijk het is dat signalen uit de praktijk ernstig worden genomen en vertaald naar duidelijke, gedragen standpunten. Als bestuurder binnen het ITAA wil ik die brugfunctie actief opnemen: luisteren, afstemmen en zorgen dat de overheid één duidelijke en consistente boodschap krijgt. Alleen zo kunnen we, met respect voor ieders rol, als beroepsgroep geloofwaardig en effectief wegen op beleid dat onze dagelijkse praktijk rechtstreeks raakt.
Wat was voor jou de belangrijkste les of inspiratiebron van het afgelopen jaar?
De voorbije periode heeft mij vooral bevestigd hoe essentieel het is om voeling te blijven houden met wat leeft in de praktijk. Die les heb ik in de eerste plaats getrokken uit de vele gesprekken en gedeelde ervaringen van confraters tijdens ITAA on the Road, maar ook uit de seminaries en ontmoetingsmomenten die we met de beroepsvereniging organiseren. Het directe contact, de openheid en de herkenbaarheid van de problemen versterken mijn overtuiging dat goed beleid alleen kan vertrekken vanuit het werkveld. Daarnaast vond ik het bijzonder leerrijk om de toenemende betrokkenheid van stagemeesters te zien bij activiteiten voor stagiairs en stagemeesters. Hun engagement toont hoe belangrijk hun rol is in het opleiden en vormen van de collega’s van morgen. Die betrokkenheid is geen vanzelfsprekendheid, maar ze is cruciaal voor de kwaliteit en duurzaamheid van ons beroep. Tot slot haal ik nog steeds bijzonder veel voldoening uit mijn lesopdrachten. Het contact met gemotiveerde en beloftevolle jongeren die bewust kiezen voor het beroep en zich voorbereiden op het behalen van de titel, onder meer via verdere vorming in fiscaliteit, werkt bijzonder inspirerend. Het houdt mij als het ware jong van geest: het laat me voeling behouden met hun verwachtingen, hun blik op de toekomst en hun omgang met nieuwe technologieën. Hen mee mogen begeleiden in hun professionele groei is verrijkend, net omdat zij niet alleen onze toekomst zijn, maar die toekomst ook actief mee vormgeven.
Als je morgen één wet of regel mocht schrappen voor de accountant, welke zou dat zijn?
Als ik één regel mocht schrappen, dan is het de verplichting om voor élke nieuwe overheidsapplicatie opnieuw een afzonderlijk CSAM ‑ mandaat te moeten laten ondertekenen door de cliënt. Accountants en belastingadviseurs zijn erkende beroepsbeoefenaars, onderworpen aan deontologie, beroepsgeheim en tuchtrecht. Wanneer wij verklaren dat wij handelen op basis van een geldig mandaat, moet dat volstaan. De huidige verplichting tot herhaaldelijk mandateren is disproportioneel en voegt weinig toe aan de rechtszekerheid, maar wel aanzienlijk aan de administratieve last. Met één uniek mandaat per cliënt, geldig voor alle overheidsapplicaties binnen het professioneel handelen van de accountant of belastingadviseur, kunnen tientallen onnodige stappen worden geschrapt. Dat zou de werkbaarheid onmiddellijk verbeteren, zonder enig risico voor de rechtszekerheid. Eén uniek mandaat. Eén keer. Klaar.
Waarom verdien je de stem van accountants en belastingadviseurs?
Ervaring zonder dogma’s.
Engagement zonder slogans.
Realisme met oog voor de toekomst.


