“Je medewerker werkt hybride. Zijn lichaam ook.”
Hybride werken is voor veel accountantskantoren de realiteit. Een deel van de week op kantoor, een deel thuis. Flexibel, efficiënt, en voor velen ook prettiger. Maar er is een dimensie van hybride werken die zelden uitdrukkelijk besproken wordt: de ergonomische.
Wanneer een medewerker op twee locaties werkt, zit hij of zij ook op twee verschillende stoelen, aan twee verschillende bureaus, voor twee schermen op een andere hoogte, in een andere lichtinval.
Het ergonomiebeleid is versnipperd geraakt
Veel kantoren hebben de afgelopen jaren geïnvesteerd in ergonomische werkplekken op kantoor. Goede stoelen, verstelbare bureaus, correct ingestelde schermen. Maar diezelfde aandacht bestaat zelden voor de thuiswerkomgeving van medewerkers.
Het resultaat is een hybride realiteit waarbij de werkgever de ergonomie op kantoor controleert, maar geen zicht heeft op wat er thuis gebeurt. En thuis zitten veel medewerkers op een keukenstoel, een verouderde bureaustoel of een bank met laptop. De helft van de werkweek, in omstandigheden die haaks staan op wat het kantoor probeert te bewerkstelligen.
Wettelijke verantwoordelijkheid stopt niet aan de kantoordeur
Belgische werkgevers zijn wettelijk verplicht om musculoskeletale aandoeningen preventief aan te pakken, conform het KB van 25 mei 2024. De jaarlijkse risicoanalyse omvat in principe ook de thuiswerkplek. Maar de praktische invulling hiervan blijft voor veel kantoren onduidelijk.
Wat een doordacht hybride ergonomiebeleid inhoudt
Een beleid dat de hybride realiteit ernstig neemt, beantwoordt minstens drie vragen:
- Hoe zit de medewerker op kantoor? Is de werkplek afgestemd op zijn of haar lichaam, of is ze generiek ingericht?
- Hoe zit de medewerker thuis? Is er een minimale standaard voor de thuiswerkplek, en wordt die ook ondersteund?
- Hoe verhoudt het lichaam zich over beide contexten? Zijn er klachten die gekoppeld zijn aan een specifieke werksituatie?
Die vragen beantwoorden vraagt een aanpak die verder gaat dan een aankoop. Het vraagt een ergonomisch traject: screening, analyse, maatwerk en opvolging.
De medewerker die híer aan denkt, heeft een voordeel
Kantoren die actie nemen op hybride ergonomie, bouwen een werkgeversmerk op dat concreet is. Maar hoe zorg je als werkgever concreet dat medewerkers thuis ook goed ondersteund zitten? Dat is precies waar veel hybride ergonomiebeleid strandt: goede intenties, geen praktische oplossing.
Up biedt die oplossing wel. En ze is eenvoudiger dan verwacht.
Wanneer een medewerker een Up-stoel krijgt voor op kantoor, gebeurt er iets wat bij een gewone bureaustoel onmogelijk is: alle lichaamsdata zijn al bekend. De 3D-scan, de ergonomische analyse, de AI chairfitting die op basis van die data automatisch de volledige stoelconfiguratie berekent, dat volledige proces is al doorlopen. De helft van het werk is gedaan.
Een tweede stoel voor thuis bestellen betekent dus niet opnieuw beginnen. Geen nieuwe scan, geen nieuw traject. De stoelconfiguratie is al gekend, de productie kan onmiddellijk starten. En omdat Up per definitie een persoonlijke stoel is de zekerheid dat hij thuis even goed zit als op kantoor geen aanname. Het is een gegeven.
De prijs volgt dezelfde logica: wie al een Up-stoel heeft, betaalt aanzienlijk minder voor de tweede. De investering in de thuiswerkplek wordt zo een verlengstuk van wat al gedaan is, niet een nieuwe kostenpost.
Voor een C-level is de redenering helder. Je hebt al geïnvesteerd in de juiste ondersteuning op kantoor. De thuiswerkplek voor datzelfde bedrag laten onderpresteren, is die investering per definitie halveren.

