Ik ben net 58 geworden.
Dat is geen leeftijd waarop ik denk aan stoppen. Integendeel. Ik werk graag, en ik voel mij nog volop betrokken bij wat we doen. Maar het is wél een leeftijd waarop je anders begint te kijken naar wat je bouwt. Of misschien beter: naar wat er van blijft als jij er ooit niet meer bent.
In mijn geval gaat dat over een kantoor dat ik van nul heb opgebouwd, samen met een team dat intussen veel verder reikt dan mij alleen. En dus ook over een vraag die ongemakkelijk en tegelijk onvermijdelijk is: wat gebeurt hierna?
Niet vandaag. Maar ooit wel.
De makkelijke weg bestaat
Als je rondkijkt in onze sector, zie je dat veel collega’s een antwoord gevonden hebben. Of misschien: een uitweg.
Kantoren worden opgeslokt door grotere groepen. Private equity speelt daarin een steeds grotere rol. De logica is begrijpelijk. De complexiteit van ons beroep is de voorbije tien jaar exponentieel toegenomen. Compliance, digitalisering, specialisatie, talent… het vraagt een schaal die voor veel zelfstandige kantoren moeilijk vol te houden is.
Tel daarbij op dat opvolging vaak geen evident traject is, en de keuze voor verkoop wordt rationeel. Soms voelt ze zelfs onvermijdelijk.
Ik begrijp die keuze. Echt.
Maar hoe langer ik erover nadenk, hoe minder ik ze voor mezelf wil maken.
Het gaat niet over geld
Laat me duidelijk zijn: dit is geen moreel oordeel over collega’s die verkopen. Het is ook geen heroïsch verhaal waarin wij het anders en beter zouden doen.
Het is gewoon mijn eigen worsteling.
Want de essentie van mijn vraag is eigenlijk niet financieel. Het gaat niet over waardering, multiples of exitmomenten. Het gaat over iets anders.
Wat gebeurt er met de ziel van een kantoor?
Wat gebeurt er met de manier waarop je naar klanten kijkt? Naar medewerkers? Naar kwaliteit? Naar tijd? Naar groei?
Dat zijn geen vragen die je contractueel kan dichttimmeren.
Opvolging is geen transactie
Wat mij het voorbije jaar het meest heeft verrast, is dat opvolging geen technisch vraagstuk is.
Het is geen oefening in structuren, aandelen en financiering. Die komen later wel.
Opvolging is in de eerste plaats een menselijke en zelfs existentiële vraag.
Wie wil dit project verder dragen?
En misschien nog belangrijker: willen zij het verder dragen zoals het vandaag bestaat — of willen zij er zelf mede auteur van worden?
Ik heb geleerd dat dat verschil alles bepaalt.
Mensen zoeken geen rol als beheerder van wat iemand anders gebouwd heeft. Ze willen ruimte om mee te denken, te hertekenen, te laten evolueren.
Eigenaarschap gaat dus niet alleen over aandelen.
Het gaat over ontwerp.
Eén opvolger bestaat niet
Een tweede inzicht dat voor mij stilaan evident is geworden: de klassieke zoektocht naar “dé opvolger” werkt niet meer.
Misschien heeft ze nooit gewerkt.
Vandaag geloof ik veel sterker in een partnerteam. Een groep mensen die samen verantwoordelijkheid draagt, elk vanuit hun eigen sterkte, elk met hun eigen levensritme, elk met hun eigen ambities.
Dat is misschien minder overzichtelijk.
Maar het is wel duurzamer.
De echte drempel zit elders
Wat mij misschien nog het meest heeft geraakt, zijn de gesprekken met mensen die ik als potentiële partners zie.
Daar hoor je zelden: “het is te veel werk” of “het financiële risico is te groot”.
Wat je wél voelt, vaak tussen de lijnen, is iets anders.
De vraag of ze hun eigen pad nog willen of moeten zoeken.
De twijfel of ze in een bestaande structuur stappen, of er echt mede vorm aan kunnen geven.
En soms ook: de vraag hoe dit te combineren valt met een gezin, met kinderen, met een leven buiten het werk.
Dat zijn geen tekenen van gebrek aan ambitie.
Integendeel. Dat zijn tekenen van maturiteit.
Een andere vorm van overdragen
Dus ben ik beginnen nadenken over een ander model.
Wat als instappen als partner niet betekent dat je je persoonlijk moet vastrijden om aandelen te kopen?
Wat als een partnerschap compatibel kan zijn met een leven dat niet volledig rond werk draait?
Wat als we expliciet bouwen aan bescherming van wat we belangrijk vinden, ook voor de generaties na ons?
Ik heb daar nog geen definitieve antwoorden op.
Maar ik weet wel dat dit de juiste vragen zijn.
De paradox van loslaten
Misschien is dit wel de grootste paradox in dit verhaal.
Om iets duurzaam over te dragen, moet je bereid zijn het te laten veranderen.
De naam mag veranderen. De structuur mag evolueren. De accenten mogen verschuiven.
Maar de essentie…
Die moet gedragen worden door mensen die er zelf in geloven, niet omdat het zo afgesproken is, maar omdat het bij hen past.
Geen plan, wel een richting
Heb ik vandaag een uitgewerkt opvolgingsplan?
Nee.
Heb ik een richting?
Ja.
Ik wil niet dat dit eindigt in een financiële transactie die op korte termijn logisch is, maar op lange termijn iets verliest dat moeilijk in cijfers te vatten is.
Ik wil dat wat we gebouwd hebben, verder leeft in een nieuwe vorm, gedragen door mensen die er hun eigen verhaal van maken.
Met respect voor wat was, maar zonder de verplichting om het te kopiëren.
Tot slot
Misschien schrijf ik dit stuk vooral om mezelf scherp te houden.
Om niet te snel te grijpen naar de makkelijke oplossingen.
Om het ongemak van deze fase toe te laten.
En om te aanvaarden dat opvolging geen probleem is dat je oplost, maar een proces waar je doorheen moet.
Met twijfel.
Met gesprekken.
Met tijd.
En hopelijk, aan het einde, met een vorm van continuïteit die meer is dan alleen een handtekening onder een overeenkomst.
Gert Engelen
Accountant en bezieler van Boox
Onze columnisten zijn experts in de accountancy in brede zin. Ze schrijven in eigen naam. Deze opiniebijdragen hebben geen commercieel doel maar willen ons aan het denken zetten.

