Vanaf 2027 wordt het mobiliteitsbudget verplicht voor Belgische ondernemingen met minstens 50 werknemers die aan de voorwaarden voldoen. Een jaar later volgen ondernemingen vanaf 15 werknemers. Tijdens een webinar van AccountancyVandaag (29 september 2026, gemodereerd door Dorien Leyers) legden Sofie Van Haele, Product Marketing Manager, en Maroussia Collette, mobiliteitsexperte bij Pluxee, uit waarom je als accountant jouw klanten nu al moet voorbereiden op deze verandering.
Drie pijlers
“Als een bedrijf vandaag al een mobiliteitsbudget aanbiedt, kan een werknemer die een bedrijfswagen heeft of er recht op heeft, die wagen inruilen voor een budget”, legt Sofie Van Haele uit.
De werknemer kan dat budget vervolgens binnen drie pijlers besteden: aan een elektrische wagen, aan duurzame mobiliteit en huisvestingskosten, of aan een resterend bedrag dat in cash wordt uitgekeerd.
Vanaf 1 januari 2027 wordt het systeem verplicht voor ondernemingen met minstens 50 werknemers, op voorwaarde dat ze gedurende minstens 36 maanden minstens één bedrijfswagen hebben aangeboden. “Vanaf 1 januari 2028 wordt het ook verplicht voor ondernemingen met 15 tot 49 werknemers”, zegt Van Haele. Ondernemingen met minder dan 15 werknemers vallen buiten de verplichting.
Pijler 1 is niet verplicht om aan te bieden. Het kan bijvoorbeeld gaan om een kleinere wagen, waarbij de werknemer het resterende budget kan gebruiken binnen de andere pijlers, of om een elektrische wagen met een lagere CO₂-uitstoot.
Ruime mogelijkheden voor duurzame mobiliteit
De tweede pijler is wel verplicht. “Het gaat om twee grote categorieën van uitgaven: duurzame mobiliteit en huisvestingskosten”, vertelt Maroussia Collette. Vooral de eerste categorie is breed. Denk aan de aankoop, leasing of huur van een fiets of step, fietsuitrusting, onderhoud en stallingskosten, maar ook aan fiets- en kilometervergoedingen.
Ook autodelen, taxi, beperkte autoverhuur, openbaar vervoer, stationsparking en internationale trein- en busverbindingen kunnen onder voorwaarden worden betaald met het mobiliteitsbudget. “Die categorie geldt zelfs in de hele Europese Unie, Noorwegen, IJsland en Liechtenstein.”
En ook huisvestingskosten blijken populair. Wie binnen een straal van tien kilometer van de werkplaats woont of meer dan 50 procent thuiswerkt, kan onder voorwaarden huur of kapitaalaflossingen van de woning met het mobiliteitsbudget betalen.
Eerst het budget berekenen
Voor werkgevers begint de voorbereiding met de berekening van het budget. Daarbij wordt gekeken naar de totale kosten – de Total Cost of Ownership – van de wagen, inclusief belastingen. “Je kunt het budget berekenen per individuele wagen, wat vooral interessant is bij kleinere vloten, of per functiecategorie”, zegt Van Haele.
Er zijn vervolgens verschillende berekeningsmethodes. Pluxee raadt werkgevers aan hierover advies te vragen aan hun accountant of leasingmaatschappij. Het jaarlijkse budget moet bovendien minstens 3.000 en maximaal 17.000 euro bedragen en mag niet meer dan 20 procent van het brutoloon bedragen, rekening houdend met de wettelijke berekeningsregels.
Een goede mobiliteitspolicy voorkomt discussies
Na de berekening volgt de mobiliteitspolicy. Die legt onder meer vast wie in aanmerking komt, hoe het budget wordt berekend en gebruikt, hoe aanvragen verlopen en wat er gebeurt bij bijvoorbeeld een promotie, wijziging van arbeidsregime of einde van het contract.
“Een mobiliteitspolicy legt de spelregels vast, waardoor je vragen van werknemers vóór bent”, aldus Van Haele. “Daarna komt de communicatie naar de medewerkers.”
Accountant als adviseur
Betekent dat extra werk voor de accountant? “Ja, maar met de juiste tools zal dit best meevallen”, zegt Collette. Digitale toepassingen kunnen de policy vertalen naar een praktisch beheersplatform, met koppeling naar de loonadministratie.
De boodschap aan accountants is dan ook duidelijk. “Raad je klanten zeker aan om niet te lang te wachten”, besluit Van Haele. “Bekijk het mobiliteitsbudget niet als een administratieve last, maar als een opportuniteit.”



